Dora Visser

In 1965 zoekt mijn vader een nieuwe correspondent voor zijn regionale, katholieke, krant. In Olburgen spreekt hij daarom met de lokale informatiebron bij uitstek, de pastoor.

De overeenkomst in achternamen laat de pastoor een verhaal vertellen over een voormalig kapelaan van de parochie. Bijna honderd jaar geleden schetst deze kapelaan A. Kerkhof in zijn dagboek het verhaal van Dora Visser, een jonge vrouw die de tekenen van Christus op haar lichaam draagt, stigmata genoemd.

Mijn vader krijgt het dagboek van de kapelaan mee en ook het witte mutsje van Dora waarin nog steeds herkenbare bloedvlekken te zien zijn. Ze lijken op een doornenkroon.

Mijn vader onderzoekt het verhaal, schrijft er in eerste instantie een krantenartikel over, daarna een boekje, en werkt tenslotte mee aan een televisiedocumentaire. Deze publiciteit trekt de jaren daarna duizenden vereerders naar het graf van Dora.

De katholieke kerk krijgt er lucht van, de kardinaal bezoekt het graf en de Paus geeft goedkeuring tot de aanzet tot zaligverklaring van Dora Visser.
Een pauselijke onderzoeksrechtbank onderzoekt daarna aantoonbare wonderen die op Dora terug te wijzen zijn; er komt een officiële biograaf en die benadert mij over mogelijke aanvullende informatie uit het archief van mijn vader, anders dan documentatie die hij al heeft ingezien.

Na zijn dood ontruim ik mijn vaders werkkamer en selecteer zijn research archief. Het achtergrondonderzoek rond Dora Visser bewaar ik, nu kijk ik bijvoorbeeld in een officieel afschrift van het dagboek van kapelaan  A. Kerkhof. Het gaat wel lukken met die aanvullende informatie.

Omdat hij altijd bij me is mis ik mijn vader nooit, hij maakt deel van me uit.
Dat betekent niet dat ik hem niet graag zou vertellen waartoe zijn verhaal leidt.

This entry was posted in Goeie Zin, Nieuwe Goden and tagged . Bookmark the permalink.